|
4 december 2009 - Het lijkt een schande: corporaties gaan alsmaar door met het slopen van goedkope huurwoningen. De Volkskrant heeft het onderzocht en berichtte er begin december over. Het artikel is echter goeddeels onjuist en erger, hoor en wederhoor werden niet toegepast. De Volkskrant maakt daarmee welbewust een karikatuur van de stedelijke vernieuwing.
Met name de grote corporaties in ons land zouden 'in rap tempo' goedkope huurwoningen slopen. Maar de cijfers zijn suggestief. Sloop maakt nog niet de helft van de vermelde aantallen uit. Verkopen en de samenvoegingen van woningen blijken ook in de cijfers te zitten.Eigenlijk slopen we weinig. De laatste vijf jaar hebben corporaties gemiddeld 15.000 woningen per jaar gesloopt, net een half procent van de 2,4 miljoen sociale huurwoningen. Bij dit tempo kost het 160 jaar om de voorraad te vervangen. Ja, het sociale bezit kent pareltjes, maar er is ook veel gebouwd voor de kwantiteit en niet voor de kwaliteit. Als die woningen vijftig jaar meegaan, is dat al heel wat. Niettemin blijft het overgrote deel van de voorraad gewoon staan. Met renovatie en nieuwbouw maken corporaties een kwaliteitsslag. Woningen worden geschikt gemaakt voor ouderen, gehandicapten, grotere gezinnen en middengroepen. Soms is sloop niet te vermijden, omdat woningen versleten zijn of te klein. Nieuwbouw kent een hogere huur. Maar bewoners krijgen meer waar voor hun geld. De woningen zijn groter, beter en voldoen aan alle eigentijdse eisen. Ondertussen is de energierekening een stuk lager. Gevolg is dat huurders vaak een nieuwbouwwoning vragen en niet terugwillen naar de oudbouw. Men moet daarbij niet vergeten dat ook een gerenoveerde woning een hogere huur krijgt, met overigens een minder gunstige energierekening dan bij de nieuwbouw. Verder zeggen cijfers over de afname van goedkope woningen niks, zonder te kijken naar de ontwikkeling van de doelgroepen. Het aantal huishoudens met lage inkomens is de laatste jaren ook sterk afgenomen. In de 2,4 miljoen sociale huurwoningen wonen 'slechts' zo'n 900.000 huurders met zo'n laag inkomen dat ze huurtoeslag ontvangen. Het aantal huishoudens met wat hogere inkomens is ondertussen gegroeid. Dat vertaalt zich in een vraag naar meer kwaliteit. De eerste decennia na de oorlog zijn veel wijken en buurten gebouwd met uitsluitend sociale huurwoningen van een matige kwaliteit. Deze wijken en buurten zijn steeds meer het 'putje' van de woningmarkt geworden. Corporaties zijn niet op eigen houtje aan de slag gegaan om deze wijken aan te pakken. In allerlei gemeentelijke woonvisies is uitdrukkelijk vastgelegd dat differentiatie van deze eenzijdige wijken dringend nodig is, om de leefbaarheid te verbeteren en om mensen met wat hogere inkomens kansen te bieden in de stad. De corporaties hebben daarover in de regel uitgebreide afspraken met de gemeente. Bovendien heeft voormalig minister Vogelaar niet voor niets veertig van deze wijken aangewezen als 'krachtwijken' waarin extra moet worden geïnvesteerd, zowel fysiek, sociaal en economisch.Natuurlijk is zorg voor onderwijs en werk essentieel, maar de fysieke aanpak blijkt een belangrijke drager te zijn van de vernieuwing. Mensen die wat meer zijn gaan verdienen, hoeven niet meer de wijk uit voor een goede woning. Zij kunnen er blijven wonen, want ze hebben een alternatief, een mooiere huurwoning of een koopwoning. Het 'cement' van de wijk wordt daarmee versterkt. De wijk wordt meer gedifferentieerd en de leefbaarheid neemt toe. In Amsterdam is het aantal wijken dat bewoners een onvoldoende geven, gedaald van elf naar twee in acht jaar tijd.Het beeld dat mensen door de sloop als 'stadsnomaden' door de stad trekken, zoals de Woonbond suggereert, is een pure karikatuur. Terecht hebben huurders en hun organisaties een sterke juridische positie. De code waarvoor de Woonbond pleit, bestaat in de praktijk ook al lang. In Amsterdam bijvoorbeeld zijn stedelijke afspraken gemaakt waar ook de huurdersvereniging zijn handtekening onder heeft gezet. In de vernieuwingsgebieden voeren corporaties intensief overleg met huurders en hun vertegenwoordigers. Meestal is gegarandeerd dat mensen in hun gebied kunnen worden geherhuisvest. Als er geen geschikt aanbod is, wordt de sloop uitgesteld. Daarmee bepaalt de herhuisvesting in feite het tempo van de vernieuwing. Onze ervaring is dat ongeveer de helft van de huishoudens naar nieuwbouw in de eigen buurt verhuist. Een kwart verhuist naar een bestaande woning in de wijk en het laatste kwart kiest ervoor om met een voorrangsverklaring naar een andere wijk te verhuizen. In alle gevallen met goede begeleiding en natuurlijk een verhuiskostensubsidie. Sloop is voor mensen een ingrijpende gebeurtenis. Van corporaties mag dan ook gevraagd worden om met begrip en zorgvuldigheid te handelen. Maar niet alle woningen kunnen behouden blijven. Dat wijst onze ervaring ook uit: mensen blijken na de vernieuwing blij te zijn met hun nieuwe woning en de buurt gaat er op vooruit. |
|





