|
De woningmarkt is een mammoettanker die maar langzaam van koers verandert. Maar wie terugkijkt op de afgelopen twintig jaar ziet toch spectaculaire veranderingen in Amsterdam. Minder particuliere huurwoningen, veel meer koopwoningen en, na een aanvankelijke groei, een teruglopend corporatiebezit. Inderdaad teruglopend, maar van een steeds betere kwaliteit en beter gespreid over de stad en nog steeds meer dan voldoende voor de lagere inkomensgroepen. Wie had gedacht dat het aantal sociale huurwoningen juist zou toenemen in Centrum, Oostwatergraafsmeer en Zeeburg, in de populaire gebieden dus? Amsterdam is nog nooit zo gevarieerd en gedifferentieerd geweest!
WIBAUT, SCHAEFER... Bijna de hele twintigste eeuw heeft de SDAP, en later de PvdA, een belangrijke stempel gedrukt op het woonbeleid. De bouw van betaalbare, sociale huurwoningen stond daarbij zeker na de Tweede Wereldoorlog voorop. W at daarbij nog wel eens vergeten wordt, is dat Amsterdam voor een groot deel van de 20ste eeuw vooral een stad van particuliere huurwoningen was. In 1983 bestond bijvoorbeeld nog 52% van de voorraad uit particuliere huurwoningen, 42% uit sociale huurwoningen en maar 6% uit koopwoningen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn in het kader van de stadsvernieuwing veel particuliere huurwoningen aangekocht door de corporaties. Verder bestond bijna 100% van de nieuwbouw zoals gezegd uit sociale huur. Het corporatiebezit groeide daardoor snel ten koste van de particuliere huursector. In 1987 was de sociale huursector voor het eerst groter dan de particuliere en in 1995 werd in procenten de top bereikt met 58% corporatiewoningen. Maar er vond vanaf het eind van de jaren tachtig een nieuwe transformatie plaats. Onder leiding van diezelfde PvdA, Louis Genet, Duco Stadig en Tjeerd Herrema werd vanaf die tijd het woningbouwbeleid in samenspraak met onder meer de woningcorporaties drastisch omgegooid. Er deed zich een sterke economische groei voor. Het opleidingsniveau in de stad nam toe en de inkomens stegen. Deze ontwikkeling vertaalde zich in een vraag naar meer kwaliteit. Er was behoefte aan meer ruime woningen en meer koopwoningen. Het streven naar differentiatie en transformatie van de voorraad is vanaf dat moment bewust beleid. Sinds eind jaren tachtig bestaat de bouwproductie niet langer voornamelijk uit sociale huurwoningen, maar voor 70% uit marktwoningen en nog 30% uit sociale huurwoningen. Bovendien zijn de corporaties vanaf 1998 sociale huurwoningen gaan verkopen, gemiddeld zo'n 2.000 per jaar, en overigens ook de particulieren. En er worden in de stedelijke vernieuwing oude, versleten sociale huurwoningen gesloopt, zo'n 1.500 gemiddeld per jaar in de laatste jaren. De stad heeft door het nieuwe beleid een veel gedifferentieerdere uitstraling gekregen. Amsterdam heeft de trek uit de stad gedeeltelijk kunnen keren en is er in geslaagd de middeninkomens weer mogelijkheden in de stad te geven. In de jaren zestig en zeventig hadden immers veel middengroepen de stad verlaten voor een huis in randgemeenten en groeikernen als Almere en Purmerend. De stad was daardoor steeds armer geworden. Maar de jaren 90 laten dus een omslag zien. De primaire doelgroep (lagere inkomens tot circa EUR 28.000) is gedaald van 47% in 1995 naar 33% in 2007. Tegelijkertijd zijn de hogere middeninkomens en de hogere inkomens toegenomen. Het aantal inwoners in de stad groeit nu zelfs, ondanks dat er gemiddeld steeds minder mensen per woning wonen. De crisis zal ongetwijfeld een toename van de groep lagere inkomens tot gevolg hebben. Maar de behoefte aan structurele transformatie van de woningvoorraad blijft bestaan. In 2008 werden twee symbolische mijlpalen bereikt. Het aantal sociale huurwoningen in de stad daalde onder de 200.000, tot nog 197.033 woningen. Zo'n 10.000 minder dan in het 'topjaar' 1998. Bovendien was in 2008 het aandeel sociale huurwoningen voor het eerst gezakt tot onder de 50% van alle woningen, namelijk 49%, terwijl dat tien jaar eerder nog 56% bedroeg. De daling van het corporatiebezit past in een brede transformatie van de voorraad en zal vermoedelijk nog wel even doorgaan. In 2001 hebben gemeente, corporaties en huurdersvereniging met elkaar afgesproken dat het percentage koopwoningen in de stad kan toenemen naar 35% in 2010, terwijl tegelijkertijd het aandeel sociale huurwoningen kan afnemen. Die afname brengt de lagere inkomensgroepen niet in het nauw. De corporaties hebben goede afspraken met de gemeente dat voldoende leegkomende woningen weer worden aangeboden aan de lagere inkomens (primaire doelgroep en de groep tot de oude ziekenfondsgrens). Als we de ontwikkeling van de afgelopen jaren doortrekken, halen we niet de doelstelling van 35% koop in 2010, maar vermoedelijk zal dat cijfer wel ergens in 2013 worden bereikt. Maar er is meer. De kwaliteit van de sociale huurwoningvoorraad is onder andere door de nieuwbouw de laatste jaren behoorlijk toegenomen. Dat is ook nodig, vanwege bijvoorbeeld de vergrijzing, de noodzaak van energiebesparing en het feit dat veel grote gezinnen in te kleine woningen wonen. Bijgaande figuur laat de corporatiewoningen naar bouwjaar en grootte zien. Het is duidelijk dat corporatiewoningen steeds ruimer worden gebouwd. Van de vooroorlogse woningen is maar 3% groter dan 80 vierkante meter en van de woningen gebouwd tussen 2005 en 2009 23%. En dat zijn WWS vierkante meters, waarbij alleen de kamers, keuken en badkamer worden meegeteld. Feitelijk zijn de woningen al gauw 20 vierkante meter groter. In de periode 2000-2005 zijn ook aardig wat studentenwoningen opgeleverd. Vandaaar het relatief hoge percentage woningen onder de 60 vierkante meter. Grote woningen worden niet alleen toegevoegd door nieuwbouw, In 2008 zijn 213 grote woningen toegevoegd door samenvoeging bijvoorbeeld in de Indische Buurt. Verder werden er ook nog eens 2.306 woningen op hoog niveau gerenoveerd. Ook voor de komende jaren verwachten we dat renovatie doorgaat met name op het gebied van energiebesparing. Andere vraag is: waar vindt die transformatie van het corporatiebezit plaats? Vaak is de vrees geuit dat juist in de 'gouden band', het welvarende deel van de stad binnen de Ring, de sociale woningbouw in het gedrang zou komen. Maar bijgaande figuur laat zien dat in de naoorlogse stedelijke vernieuwingsgebieden buiten de Ring en Noord de corporatievoorraad in de laatste tien jaar het sterkst afneemt. Precies conform de doelstellingen van gemeente en andere partijen zien we transformatie vooral daar optreden waar sprake was van een eenzijdige voorraad met veel sociale huurwoningen. Zuidoost is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Het stadsdeel is in zijn eentje verantwoordelijk voor de helft van de afname van het corporatiebezit in de afgelopen 10 jaar. Tegelijkertijd is in Zuidoost de sloop wel zo'n beetje afgerond. Dat betekent dat we daar de komende jaren als gevolg van nieuwbouw weer een groei van de voorraad kunnen verwachten. Daarna volgen Noord en de stadsdelen in Nieuw West. Maar er zijn ook stadsdelen waar het corporatiebezit de afgelopen 10 jaar is toegenomen. Zeeburg is het duidelijkste voorbeeld ( met IJb urg) maar ook Oost /Watergraafsmeer (Science Park) en Centrum (Westerdokseiland). Van een enorme uitverkoop of afname van de corporatievoorraad in de zogenaamde gouden band is dus geen sprake. |
|





