amsterdamse federatie van woningcorporaties

Het thema maatschappelijke opvang staat volop in de belangstelling. Het kabinet heeft samen met de vier grote steden hoge ambities uitgesproken om het aantal dak- en thuislozen terug te dringen. De Amsterdamse corporaties zien het ambitieuze plan als ondersteuning van de weg die zij al zijn ingeslagen op dit gebied. Voor een succesvolle aanpak is een goede samenwerking met gemeente, stadsdelen, instellingen voor maatschappelijke dienstverlening én omwonenden onontbeerlijk. Belangrijk is hoe we gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de opvang van dak- en thuislozen, slachtoffers van huiselijk geweld of zwervende jongeren oppakken. Daarbij draait het om de vraag hoe we in onze samenleving omgaan met mensen die op een of andere manier geen grip meer hebben op hun leven en buiten de boot vallen.

Onaangepast, asociaal of kansarm?
Sinds jaar en dag zijn onderzoekers, ambtenaren en maatschappelijk werkers in de weer geweest om greep te krijgen op individuen en huishoudens die asociaal en onaangepast gedrag vertoonden. Met name Amsterdam, waar zich de grootste concentraties voordeden, kent een rijke traditie van – meestal sociaal-democratisch geïnspireerde – experimenten, gericht op herhuisvesting en heropvoeding van asociale gezinnen. Beeldend zijn de verhalen over Asterdorp, Zeeburgerdorp, de naoorlogse A-dorpen en de woninginspectrices in dienst van de woningbouwverenigingen. Hoe betuttelend deze aanpak in onze ogen nu ook mag lijken, het was toen een redelijk doelmatige (en progressieve) aanpak om slepende problemen als kinderverwaarlozing, schoolverzuim, alcoholisme, werkloosheid en overlast aan te pakken. Tegenwoordig zouden we zeggen: een weloverwogen en geïntegreerde vorm van bemoeizorg.

Deze aanpak ondervond in de loop van de jaren zestig echter toenemende kritiek als onderdeel van een brede emancipatiebeweging waarin bestrijding van maatschappelijke ongelijkheid voorop kwam te staan. Uiteindelijk werden ‘asocialen’ begin jaren zeventig voortaan als ‘kansarmen’ betiteld. Daarmee was niet langer het individu zozeer ‘schuldig’ maar stond voortaan de hele samenleving in de beklaagdenbank. Dat leidde uiteraard weer tot heel andere oplossingen. De onaangepasten verdwenen daarmee uiteraard niet van het toneel en ze hadden zich ook niet opeens aangepast, maar ze bestonden administratief domweg niet meer. De administratieve verdwijning van deze groep betekende echter ook het verdwijnen van de meeste woonmaatschappelijk werkers bij de corporaties. En bij de gemeente verdwenen de zeer gespecialiseerde afdelingen die zich decennialang met deze problematiek hadden beziggehouden.

Volgens een recente inventarisatie van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling zijn er in mei 2006 ruim 2.600 dak- en thuislozen in Amsterdam. Dit aantal wordt onderverdeeld in:
– Mensen die voornamelijk op straat verblijven (ongeveer 500);
– Mensen die voornamelijk in de nachtopvang zitten (ongeveer 700);
– Mensen die in voorzieningen zitten (ongeveer 1.400) De eerste groep zijn de daklozen, de laatste de thuislozen. De tweede groep zit eigenlijk een beetje tussen de twee andere groepen in, maar de nachtopvang wordt wel beschouwd als het voorportaal van de opvang. Daarnaast is er nog een groep van ongeveer 6.000 mensen in Amsterdam die een risico lopen om dak- of thuisloos te worden; 1.200 van hen loopt zelfs een vergroot risico.

De slinger zwaait terug
De vraag hoe om te gaan met onaangepaste mensen in een stedelijke omgeving kwam begin jaren negentig pas echt weer in de belangstelling. Nu vooral door toedoen van nieuwe overlastgroepen als drugsverslaafden en mensen met een psychische stoornis die zelfstandig gingen wonen, maar dat feitelijk vaak niet konden. Met de komst van deze nieuwe groepen verbreedde de overlast zich ook tot het publieke domein: portieken, straten, openbare gelegenheden, pleinen en parken. Deze ontwikkeling werd versterkt door de extramuralisering in de zorg. De instituten werden gesloten. De sluiting van het psychiatrische ziekenhuis in Santpoort leidde er bijvoorbeeld toe dat veel mensen met problemen weer gewoon in de wijk terechtkwamen, of door de stad gingen zwerven.

Amsterdam trachtte begin jaren negentig greep te krijgen op deze ontwikkelingen maar deed dat met de focus vooral op de noden en belangen van de veroorzakers van overlast (en dus niet op de belangen van de omwonenden). Dit beleid is nog lang doorgezet. Een voorbeeld hiervan zijn de meldpunten Zorg en Overlast die inmiddels in vrijwel alle stadsdelen zijn opgericht. Die zijn niet in eerste instantie opgericht om gedupeerde omwonenden te helpen, maar om ontruimingen van overlastveroorzakers te voorkomen en deze zelfstandig te kunnen laten wonen. Om dit zo lang mogelijk vol te kunnen houden is een heel netwerk van zorg om de meldpunten heen gecreëerd. De energie en tijd die vanuit de meldpunten in overlastveroorzakers wordt gestoken lijkt ten koste te gaan van de aandacht die uitgaat naar de slachtoffers van overlast. Maar wat voor de meldpunten geldt, geldt in belangrijke mate ook voor de steeds omvangrijker wordende afdelingen Sociaal beheer of Bewonerszaken van de corporaties. De medewerkers van deze afdelingen steken ook onevenredig veel energie in het oplossen van problemen door overlastveroorzakers. Daarmee wordt een groot beroep gedaan op het tolerantievermogen van de meeste Amsterdamse huurders.

De rol en verantwoordelijkheid van corporaties
De woningcorporaties voelen zich als maatschappelijk ondernemers verantwoordelijk voor adequate huisvesting van mensen die daarin niet (helemaal) zelfstandig kunnen voorzien. Het maakt daarbij niet uit of dat is vanwege een smalle beurs, vanwege ouderdom of handicap, of vanwege psychosociale problemen. Corporaties leveren een inspanning als het gaat om het voorkomen van huisuitzettingen. Als het wel zo ver komt dat iemand geen dak meer boven zijn hoofd heeft, doen de corporaties ook het nodige om deze mensen passend op te vangen. Met als uiteindelijk doel dat zij zo zelfstandig mogelijk kunnen leven.

Corporaties leggen zich uiteraard primair toe op de rol van huisvester of ontwikkelaar van het vastgoed. Ze kunnen zorgen voor woningen, kleinschalige woonvormen of opvangtehuizen. Ze spelen ook een belangrijke rol in het sociaal beheer van wijken en buurten, met andere woorden in de zorg voor leefbaarheid. Maar de inbreng van andere partijen is daarbij onontbeerlijk. De centrale stad en de stadsdelen kunnen initiatieven van corporaties faciliteren door geschikte locaties aan te bieden, ambtelijke capaciteit beschikbaar te stellen en eventueel middelen uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) te verstrekken om initiatieven haalbaar te maken. En de ‘zorg voor de zorg’ is uiteraard in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de maatschappelijke dienstverlening en de welzijnsorganisaties. Een goed georganiseerde en toegeruste maatschappelijke opvang is in onze ogen dan ook essentieel. Een goed werkende keten maakt dat het geheel van de inspanningen van partijen meer wordt dan de som der delen.

Voorkómen van huisuitzettingen
Zoals gezegd begint het allemaal met preventie, het voorkómen van huisuitzettingen. Dat speelt in eerste instantie bij mensen met huurschulden. Bij deze mensen gaat het meestal om een opeenstapeling van schulden en rekeningen. Een extra inspanning, bijvoorbeeld via telefonisch contact of huisbezoek, kan helpen om ze weer op het goede spoor te brengen en ze te verwijzen naar bureaus voor schuldhulpverlening. De gemeente doet ook een beroep op de corporaties om hieraan bij te dragen. Dit kost een corporatie veel tijd en inspanning, maar daar staat tegenover dat achterstallige huur alsnog kan worden geïnd en kosten van deurwaarder,kantonrechter en ontruiming worden bespaard. Door mediation, gesprekken en interventies met betrokken bewoners proberen corporaties eventuele problemen zoveel mogelijk op te lossen. En bij huurschulden leveren zij een extra inspanning om het niet tot uitzetting te laten komen. Maar soms kan een corporatie niet anders dan de kantonrechter het huurcontract te laten ontbinden en tot huisuitzetting overgaan. En natuurlijk is het verhaal daarmee niet uit, of het nu vanwege overlast of huurschulden is. Het is goed om mensen een nieuwe (misschien laatste) kans te geven. Daarnaast verdienen mensen die echt zijn afgegleden en nu dak- of thuisloos zijn of in een opvangcentrum zitten, steun bij het weer zelfstandig(er) gaan wonen. Steun bij het vinden van de weg omhoog, overigens zonder te weten hoe lang die weg is.

Corporaties hebben al een belangrijke maatregel genomen om eventuele problemen tijdig te signaleren. In 2004 hebben alle corporaties in het ROA-gebied afgesproken om gebruik te maken van een verhuurdersverklaring. Het gebruik van zo’n verklaring vergemakkelijkt de mogelijkheden van corporaties om bij het aangaan van een nieuwe huurrelatie eventueel aanvullende voorwaarden te stellen aan de bewoning (zoals begeleiding en woongedrag). De verklaring geeft inzicht in het woongedrag van de woningzoekende die een huurcontract wil sluiten met een corporatie. Het gaat er vooral om of ooit sprake is geweest van overlast of huurschulden. Het gebruik van een verhuurdersverklaring werkt ook preventief voor de veroorzakers van overlast. Een ander goed voorbeeld is de afspraak die begin 2006 is gemaakt tussen Het Oosten, de AWV en HVO-Querido over de rollen en verantwoordelijkheden van de drie partijen, de inhoud van de woonbegeleiding en de communicatie daaromtrent. Cliënten vallen vaak terug in oude patronen van bijvoorbeeld vereenzaming of vervuiling als de begeleiding niet afdoende is of voortijdig stopt. Voor de omgeving kan dit weer leiden tot verschillende vormen van overlast. Doel van de samenwerking tussen deze drie partijen is uiteindelijk om de doelgroep een permanent, stabiel en zo zelfstandig mogelijk leven te laten leiden in een normale huurwoning en overlast voor de woonomgeving te voorkomen. Partijen hebben in de overeenkomst concrete afspraken gemaakt over de intakefase, de woonbegeleidingsfase van maximaal anderhalf jaar, de huurcontracten en, zeer wezenlijk, de nazorg als de ex-cliënt toch weer overlast veroorzaakt of zijn huurbetalingen niet kan nakomen. HVO-Querido gaat in die situatie weer begeleiding bieden, zonodig langdurig.

Eropaf!
De gezamenlijke Amsterdamse corporaties hebben in 2005 een intentieverklaring ondertekend met de maatschappelijke dienstverlening om tot een uniforme aanpak en werkwijze te komen. Een speciaal onderdeel daarvan is dat de maatschappelijke dienstverlening meer ‘outreachend’ gaat werken en dus eropaf gaat. Als uitvloeisel van die intentieverklaring zijn corporaties en maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam Noord in een pilot gaan samenwerken met als doel het aantal huurders met huurachterstanden en onderliggende problematiek sneller in beeld te krijgen, zodat ze tijdig van hulp kunnen worden voorzien. De pilot ‘Er-op-af’ is een samenwerkingsverband tussen de maatschappelijke dienstverlening in het stadsdeel (DORAS), SOM, HVO-Querido en de woningcorporaties Rochdale, Eigen Haard, Woonmaatschappij Amsterdam, de Alliantie Amsterdam, de Algemene Woningbouw Vereniging en Het Oosten. In de praktijk benaderen corporaties huurders met huurachterstanden zowel per brief als telefonisch. Zij wijzen hun huurders ook altijd op de mogelijkheid van (schuld)hulpverlening. Nieuw in de pilot – die in 2006 wordt geëvalueerd – is de verbeterde communicatie en afstemming met de maatschappelijke dienstverlening. Er wordt gewerkt met een procedure waarbij de corporaties hun bevindingen doorgeven aan de instelling voor maatschappelijke dienstverlening. Deze gaat dan bij de huurder langs en probeert tot een oplossing te komen. Het is een voorbeeld van een onderling goed afgestemde aanpak van corporaties en maatschappelijke dienstverlening, die – bij succes – door de andere corporaties en stadsdelen kan worden overgenomen.

De opstap naar zelfstandig wonen
Naast het voorkomen van huisuitzetting en het bieden van een tweede kans zetten corporaties zich nog op veel meer manieren in voor de maatschappelijke opvang. Corporaties kunnen reguliere woningen (al dan niet met begeleiding) verhuren aan uitstromers van instellingen. De bemiddeling hiervoor gebeurt via de gemeente. De instellingen dragen voorrangskandidaten voor, die gehuisvest worden binnen de bestaande voorraad. In sommige gevallen is er toezicht van een instelling. Het kan ook zijn dat de huurder geen begeleiding meer nodig heeft en dus een ‘gewone’ huurder wordt.

Wat betreft de huisvesting zijn er op dit moment twee problemen waar de corporaties tegenaan lopen. Het eerste komt voort uit de vaak nog heersende opvatting dat iedereen ooit weer zelfstandig kan wonen. De praktijk heeft uitgewezen dat er bij veel kwetsbaren nogal eens een grens zit aan het zelfstandig functioneren. Sommigen pakken de draad van zelfstandig wonen weer geheel op. Anderen doen wel een stapje voorwaarts, maar blijken voortdurend een zekere ondersteuning en begeleiding nodig te hebben. Zij zullen zich beter thuis voelen in een begeleid wonen project. Weer anderen kunnen ook dat niet aan en blijven aangewezen op intramurale voorzieningen of kleinschalige beschermd wonen projecten, met redelijk intensieve begeleiding. Deze variëteit moet goed onderkend worden. Anders kan het gebeuren dat iemand een stap te ver zet, niet meer goed kan functioneren en anderen (weer) tot last wordt. Corporaties zien geregeld dat een huurder na verloop van tijd toch weer een huurachterstand opbouwt of toch weer voor grote overlast in de buurt zorgt. Omdat er dan soms geen begeleiding meer is, beginnen alle problemen weer van voor af aan.

Het tweede probleem is het gebrek aan doorstroming. Volgens de eerder genoemde inventarisatie van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling zouden circa 500 cliënten die nu in de maatschappelijke opvang zitten, zelfstandiger kunnen wonen. Mits zij de juiste ambulante zorg zouden krijgen. Dat is niet alleen kostbaar, maar zij houden plaatsen bezet voor nieuwe cliënten die wél intensieve zorg nodig hebben. Corporaties kunnen er aan bijdragen – en doen dat ook via de voorrangsregels dat mensen die daar aan toe zijn, een zelfstandige woning kan worden aangeboden. Niet alleen aan de uitstroomkant, maar ook aan de instroomkant van de maatschappelijke opvang zou met de juiste interventies juist kunnen worden voorkomen dat mensen een beroep hoeven te doen op de opvang. Het eerdergenoemde project ‘Er-op-af’ in Amsterdam Noord is hiervan een mooi voorbeeld, waarbij door tijdig in te grijpen wordt voorkomen dat mensen op straat komen te staan.

De opvangtehuizen staan niet meer achter hoge omheiningen of in het groen buiten de stad, zoals vroeger nog wel eens het geval was in Asterdorp of Zeeburgerdorp. De tehuizen en de kleinschalige woonvormen staan in de stad, in de wijk en in de buurt. Dat creëert op zichzelf weer een belangrijk dilemma. De reïntegratie van mensen is kansrijker als zij in hun dagelijkse doen en laten in aanraking komen met de ‘normale’ samenleving. Maar niet iedereen ziet met genoegen een opvangtehuis komen in de buurt. Omwonenden kunnen het prima vinden dat er opvang is, maar zij hebben dat liever niet bij hen in de straat. En die weerstand is vaak heftig. Want het kan overlast geven, en wat voor mensen zijn het? Wat zijn de risico’s voor kinderen in de buurt als er ex-delinquenten of drugsverslaafden wonen? In een compacte stad als Amsterdam is de houding nogal eens: Not in my backyard. Het vraagt van bestuurders en directies van corporaties en andere instellingen goede afspraken, uitstekende communicatie maar ook doorzettingsvermogen om uiteindelijk toch een voorziening in een buurt te realiseren.

Het kán
Er zijn veel projecten waarin zorginstellingen en woningcorporaties goed samenwerken bij de begeleiding en opvang van kwetsbare groepen. In dit jaarboek laten we hiervan een aantal voorbeelden zien. De groep mensen waar het om gaat is divers: dak- en thuislozen, mensen met psychiatrische stoornissen, ex-gedetineerden, slachtoffers van huiselijk geweld of zwervende jongeren. Wat al deze mensen bindt is dat zij zelf onvoldoende in staat zijn (al dan niet tijdelijk) om goed voor zichzelf te zorgen op de woningmarkt. Alleen: het probleem is niet zozeer het dak boven het hoofd. Meestal gaat het om allerlei achterliggende problemen waaraan moet worden gewerkt en daarom is samenwerking met andere partijen zoals de maatschappelijke dienstverlening, het Leger der Heils en HVO-Querido onontbeerlijk. Deze partijen moeten natuurlijk wel in staat zijn om hun verantwoordelijkheid na te komen (voldoende zorg en begeleiding op maat). De vele voorbeelden laten zien dat het kan en – al zal dak- en thuisloosheid nooit helemaal kunnen worden uitgebannen – dat deze mensen weer een toekomstperspectief kan worden geboden. Een mooier terrein om het maatschappelijk ondernemerschap tentoon te spreiden is er eigenlijk niet.

Download het volledige Jaarboek 2006 (pdf)

Amsterdam is een populaire stad om in te wonen, werken en ontspannen. Hierdoor ontstaat een grote druk op de woningmarkt en is het niet eenvoudig om aan een woning te komen. Op dit deel van de site kunt u lezen welke activiteiten de Amsterdamse woningcorporaties ontplooien op het gebied van woonruimtebemiddeling, nieuwbouw en verkoop van huurwoningen en leefbaarheid in de ruimste zin van het woord.

Essay Maatschappelijke opvang (verschenen in het Jaarboek 2006)
Dit is een uitgave van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties. © 2008. Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing.
Deze site is ontwikkeld door Zukke Spijkers BV