amsterdamse federatie van woningcorporaties

In 2003 is de discussie over spreiding hoog op de agenda gekomen. Zo beveelt de commissie Blok randgemeenten aan om bij te dragen aan het huisvesten van mensen met een laag inkomen, terwijl de steden zich zouden moeten inzetten om de middenklasse vast te houden. Dominic Schrijer, bestuurder van de deelgemeente Charlois in Rotterdam is voorstander van het spreiden van kansarme migranten over stad en regio, omdat anders het absorptievermogen van bepaalde wijken zal worden overschreden. Het rapport ‘Rotterdam zet door’ constateert dat er sprake is van een blijvende instroom van kansarme migranten en een uitstroom van midden- en hogere inkomensgroepen. Hierdoor ontstaan concentraties van sociaal-economisch kansarmen in buurten waar de leefbaarheid toch al sterk onder druk staat. Mede als reactie op deze processen heeft het Rotterdamse College van B. en W. besloten om geen sociale huurwoningen meer te bouwen binnen de centrumgemeente. Bovendien stelde men voor om vestiging in Rotterdam te binden aan een inkomenseis (120 procent van het minimumloon). Het is duidelijk dat de woningcorporaties een rol hebben in het aanpakken van deze problematiek. Maar welke oplossingen zijn denkbaar? Voordat we die vraag beantwoorden is het nodig te kijken naar de overeenkomsten en verschillen tussen de sociaal-economische en demografische omstandigheden in Rotterdam en Amsterdam.

Amsterdam en Rotterdam vergeleken
Een veelgehoorde reactie op de voorstellen uit Rotterdam is dat de situatie in Amsterdam minder ernstig is. Amsterdam staat er in economische zin beter voor dan Rotterdam, mede dankzij de sterke vertegenwoordiging van stuwende bedrijvigheid in de commerciële dienstverlening, cultuur en andere creatieve sectoren. De werkloosheid in Amsterdam ligt lager en het opleidingsniveau hoger dan in Rotterdam. Amsterdam oefent veel meer dan Rotterdam een aantrekkingskracht uit op hoogopgeleide bewoners met een stedelijke leefstijl. Voor een deel betreft het hier migranten uit andere westerse landen. Deze groep is dan ook in Amsterdam in ruimere mate vertegenwoordigd dan in Rotterdam. Bovendien is volgens het onderzoek Wonen in Amsterdam 2003 de groep hogere inkomens toegenomen van 15 procent in 1995 naar 28 procent. De sterkere economische positie van Amsterdam leidt tot een hogere druk op de woningmarkt, maar ook tot een hogere investeringsbereidheid.

Verkoopprijzen liggen in Amsterdam aanzienlijk hoger en leegstand of dichtgetimmerde woningen treffen we hier nauwelijks aan. Toch zijn er wel degelijk overeenkomsten tussen Amsterdam en Rotterdam. Zo heeft de hoofdstad evenals Rotterdam, al jarenlang te maken met een instroom van lage inkomensgroepen en een uitstroom van welgestelden naar de randgemeenten. Als wij kijken naar de ontwikkeling tot 2015 wordt voor Amsterdam net zoals in Rotterdam een groei voorzien van het aandeel allochtonen uit niet-geïndustrialiseerde landen van 39 procent in 2003 naar 46 procent in 2015. Uit de participatiemonitor de Staat van de Stad Amsterdam II blijkt dat het schoolverzuim in Amsterdam toeneemt en dat een groeiend aantal leerlingen de school zonder diploma verlaat. Recentelijk concludeerde de Kamer van Koophandel dat de regionale Amsterdamse arbeidsmarkt gezond is, maar wel een steeds hoger opleidingsniveau vraagt, terwijl het deel van de bewoners dat hieraan niet voldoet steeds groter wordt. Ook Paul Scheffer wijst op de dreigende tweedeling in Amsterdam tussen degenen die zich wel aansluiten bij de nieuwe omstandigheden van de kenniseconomie en de aanzienlijke groepen, veelal jongeren behorend tot een etnische minderheid, die het niet redden en zonder voldoende kwalificaties op de arbeidsmarkt komen. Scheffer legt daarbij ook een relatie met de ruimtelijke spreiding van deze groepen over de stad. “De grote vraag is hoe deze twee werelden met elkaar in verband kunnen worden gebracht, (...), hoe voorkomen kan worden dat wijken en buurten ontmengen naar kleur en klasse.”

terug naar boven

Ruimtelijke concentraties van kansarmoede en leefbaarheidsproblematiek
In Amsterdam bevinden zich evenals in Rotterdam, ruimtelijke concentraties van sociaal-economische problematiek. In deze gebieden vallen werkloosheid, een hoog aandeel bijstandsgerechtigden en schoolverzuim samen. De concentraties liggen in de Bijlmermeer, de Indische Buurt, de Transvaalbuurt, Nieuwendam-Noord, De Kolenkit en Osdorp. Vrijwel zonder uitzondering betreft het hier gebieden met een zeer hoog aandeel corporatiebezit. De woningvoorraad in deze buurten is eenzijdig samengesteld uit gestapelde sociale huurwoningen. De Staat van de Stad Amsterdam II constateert dat het aantal gebieden met hoge concentraties etnische minderheden toeneemt. Vooral de situatie van Marokkanen valt op: zij wonen in toenemende mate geconcentreerd in de Westelijke Tuinsteden. Op zich is een ruimtelijke concentratie van etnische minderheden geen probleem. Een concentratie van goed verdienende Japanse expats in Buitenveldert of Amstelveen wordt door niemand als problematisch beschouwd. Maar we zien dat concentraties van sociaal-economische problematiek vaak samenvallen met concentraties etnische minderheden. Marokkanen hebben van de etnische groepen de laagste score op de leefsituatie-index. De grootste concentraties Marokkanen zijn te vinden in corporatiebezit. We zien dat concentraties van sociaal-economische problematiek vaak
samenvallen met concentraties etnische minderheden.

Waarom zijn ruimtelijke concentraties een probleem?
Uit de Leefbaarheidsrapportage van de Federatie blijkt dat in gebieden die gekenmerkt worden door een concentratie van sociaal-economische problematiek de leefbaarheid vaak onder druk staat. In deze gebieden wordt niet alleen de leefbaarheid door de bewoners negatief beoordeeld, maar gaat deze er volgens de bewoners ook nog eens sterker op achteruit dan in andere delen van de stad. Bovendien ergeren de bewoners van deze gebieden zich aan vervuiling en voelen ze zich onveilig op straat. In die buurten bestaat een grote geneigdheid te verhuizen en de sfeer wordt vaak genoemd als reden. De bewoners zijn daar dan ook meestal niet terechtgekomen als gevolg van een bewuste keuze, maar van andere zaken, zoals een korte wachttijd of de aanwezigheid van goedkope huurwoningen. Activiteiten gericht op verbetering van de leefbaarheid van bewoners zouden zich vooral op deze gebieden moeten richten. Uit het onderzoek Wonen in Amsterdam 2003 blijkt dat bewoners van een aantal Amsterdamse wijken hun eigen buurt een onvoldoende geven. Het betreft Bos en Lommer, Overtoomse Veld, Geuzenveld, Osdorp-Midden, IJplein/Vogelbuurt, Transvaalbuurt, Indische Buurt en Bijlmer Centrum. Tussen 2001 en 2003 zijn de inkomens in de meest welgestelde woonmilieus sterker gestegen dan het gemiddelde, terwijl de inkomens in de minst welgestelde milieus zijn achtergebleven. De ruimtelijke tweedeling in de stad neemt dus toe, zo blijkt uit het onderzoek Wonen in Amsterdam 2003.

terug naar boven

Niet spreiden, maar verleiden
In de discussie over spreiding en menging loopt nogal eens een aantal zaken door elkaar heen. Soms wordt gerefereerd aan de woonruimtebemiddeling, bijvoorbeeld als een minimuminkomensgrens voor vestiging in de stad wordt bepleit. Soms wordt gerefereerd aan gemengd bouwen, bijvoorbeeld als gesteld wordt dat de randgemeenten meer sociale huurwoningen moeten bouwen en de centrumgemeente meer koopwoningen. Ook de te spreiden groep wordt verschillend aangeduid. Soms gaat het over allochtonen, soms gaat het over kansarmen. Tenslotte verschilt de schaal waarop zou moeten worden gemengd. Gaat het om de regio, de stad, de wijk of de buurt? Het is niet wenselijk bepaalde wijken of buurten voor bevolkingsgroepen af te grendelen, bijvoorbeeld door allerlei toewijzingseisen te stellen bij de woonruimtebemiddeling. Evenmin is het wenselijk mensen te verbieden ergens te gaan wonen. De term ‘spreiding’ suggereert dat mensen gedwongen kunnen worden om in een andere wijk te gaan wonen. In plaats van spreiding is het veel beter de nadruk te leggen op de keuzevrijheid van woningzoekenden. Dat gebeurt door het creëren van een aantrekkelijk woningaanbod in een aantrekkelijke woonomgeving, zodat mensen bewust voor een bepaalde buurt kiezen. Voor zover er wel sprake is van veranderingen in de sfeer van de woonruimtebemiddeling, gaat het eerder om het verminderen van de toewijzingsregels. Een woonruimtebemiddelingssysteem dat goedkope woningen koppelt aan lagere inkomens, gecombineerd met de concentratie van (muterende) goedkope woningen in bepaalde wijken, werkt ruimtelijke segregatie in de hand. De inkomenseis zorgt er voor dat huishoudens met een hoger inkomen in sommige gebieden zeer weinig kans hebben op een woning, ook al zouden zij bereid zijn genoegen te nemen met minder kwaliteit of een minder populair woonmilieu. In Bos en Lommer wordt daarom geëxperimenteerd met het voor een beperkt aantal woningen (tijdelijk) afschaffen van de inkomenseis. Hierdoor wordt het mogelijk dat behalve lage inkomensgroepen ook huishoudens instromen met een middeninkomen. Er worden dus geen huishoudens uitgesloten, maar er wordt een bredere instroom mogelijk gemaakt.

De Amsterdamse corporaties zijn kleurenblind
Niet de etnische achtergrond van bewoners dient centraal te staan, maar de sociaal-economische positie en leefstijl van de bewoners. In het aanbodstelsel wordt terecht geen rekening gehouden met de etnische achtergrond van de bewoners. Uit onderzoek blijkt dat een meerderheid van de allochtonen het liefst in gemengde wijken woont. Dat allochtonen vaak geconcentreerd wonen, heeft te maken met de gemiddeld ongunstige sociaal-economische positie en de oververtegenwoordiging van goedkope huurwoningen in bepaalde wijken. Uit onderzoek blijkt bovendien dat etnische minderheden grotendeels dezelfde woonwensen hebben als autochtonen. Het onderzoek Wonen in Amsterdam 2003 laat zien dat Marokkanen in Zuideramstel en Oud-Zuid aanzienlijk tevredener zijn over hun woonsituatie dan Marokkanen in Bos en Lommer. In die zin wijken ze niet af van de autochtone Nederlanders. Net zoals autochtonen leven allochtonen graag in een prettige leefbare buurt waar zij een woningaanbod vinden dat bij hun woonwensen past. Om die reden streven de Amsterdamse corporaties in ieder stadsdeel naar een gedifferentieerd aanbod voor alle inkomensgroepen en leefstijlen.

terug naar boven

Gemengd bouwen, op welk schaalniveau?
De in Amsterdam al jaren toegepaste methode om te komen tot gemengde wijken is het differentiëren van de woningvoorraad. Midden jaren tachtig bestond bijna de gehele Amsterdamse woningbouwproductie uit sociale woningbouw. Vanaf eind jaren tachtig heeft zich in een korte periode een omwenteling voltrokken in het Amsterdamse woonbeleid en vanaf eind jaren negentig bestaat zo’n 70 procent van de nieuwbouw uit woningen in de marktsector en 30 procent in de sociale huursector. De nieuwbouw wordt vaak opgeleverd in gemengde projecten met verschillende woningtypen, alsmede een combinatie van koopwoningen en sociale huurwoningen in hetzelfde project. Het niveau waarop differentiatie moet worden nagestreefd is een continu onderwerp van discussie. Streven we naar een gemengde regio, een gemengde stad, stadsdelen, wijken, buurten, straten of complexen?

De regio
Tussen stad en regio doen zich scherpe contrasten voor in het woningaanbod. Het aandeel koopwoningen is in Amsterdam 21 procent, terwijl het in de rest van het ROA-gebied (inclusief Almere) op 57 procent ligt. Van de Amsterdamse woningvoorraad bestaat 54 procent uit sociale huurwoningen tegen 33 procent in de randgemeenten. Het eenzijdige woningaanbod heeft tot gevolg dat bepaalde groepen hun woonwensen niet binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen kunnen realiseren. Dat is één van de redenen dat midden- en hogere inkomensgroepen de stad verlaten. De lagere inkomensgroepen wonen geconcentreerd in de centrumgemeente. Volgens het Woning Behoefte Onderzoek 2002 behoort 38 procent van de Amsterdamse huishoudens tot de lage inkomensgroepen tegen 22 procent in de randgemeenten. Dit verschil tussen stad en rand heeft gedeeltelijk te maken met de ‘roltrapfunctie’ van de stad. Jongeren en immigranten komen de stad binnen voor opleiding of werk om de stad te verlaten als het inkomen is gestegen en/of een gezin is gesticht. Maar het proces van selectieve migratie wordt in het Amsterdamse geval wel heel sterk in de hand gewerkt door het eenzijdige woningaanbod in de centrumgemeente, dat in sommige buurten voor bijna 100 procent uit kleine goedkope huurwoningen in gestapelde bouw bestaat. Daar komt bij dat de ruimte om de woningvoorraad te differentiëren in Amsterdam groter is dan in de regio. Er zijn in Amsterdam veel meer betaalbare huurwoningen dan huishoudens in de primaire doelgroep van lage inkomens. In de rest van de regio is deze ‘overmaat’ veel kleiner. Om deze verhouding recht te trekken kan de regio meer sociale huur bouwen dan de stad en de verkoop van sociale huurwoningen in de regio kan worden beperkt. Omgekeerd kan men in de centrumgemeente meer duur bouwen en verkopen. In Rotterdam voert men deze discussie onder de noemer ‘elk zijn deel’.

terug naar boven

De stad
De Beleidsovereenkomst Wonen Amsterdam vormt in feite het kader voor het gemengd bouwen binnen Amsterdam. “Het woningaanbod moet meer worden gedifferentieerd, zodat alle bewoners (rijk en arm, huurders en kopers) een woning van hun gading weten te vinden.” Het streven naar een ongedeeld Amsterdam en een meer gedifferentieerde samenstelling van de woningvoorraad is in Amsterdam al jarenlang de belangrijkste doelstelling van beleid en wordt breed gesteund. Concreet betekent dit dat is afgesproken om het eigen woningbezit te vergroten van 21 procent nu tot 35 procent in 2010, dat meer woningen worden aangeboden in het duurdere huursegment en dat meer grote woningen worden gerealiseerd. De overmaat aan betaalbare huurwoningen ten opzichte van de omvang van de doelgroep (momenteel bijna 80 procent) maakt meer differentiatie naar prijs, kwaliteit, woningtype en eigendomsvorm mogelijk, zonder dat dit ten koste gaat van de doelgroep.

Het stadsdeel en de wijk
Ook voor het wijkniveau biedt de Beleidsovereenkomst een kader. Per stadsdeel wordt gestreefd naar een dusdanige differentiatie dat tenminste 25 procent van de woningen bereikbaar moet zijn voor de lagere inkomensgroepen en tenminste 25 procent voor de hogere inkomensgroepen. Differentiatie krijgt in de praktijk onder andere gestalte door stedelijke vernieuwing van wijken waar een eenzijdige woningvoorraad van goedkope huurwoningen overheerst. Voorbeelden
zijn de Westelijke Tuinsteden, Zuidoost en Noord. Een belangrijk argument voor stedelijke vernieuwing is dat huishoudens binnen hun eigen wijk een wooncarrière moeten kunnen maken. Maar ook het omgekeerde komt voor. Zo zijn er sociale huurwoningen gebouwd bij het Olympisch Stadion in Amsterdam-Zuid en op nieuwbouwlocaties als De Aker, het Oostelijk Havengebied en IJburg zijn en worden zowel koopwoningen als sociale huurwoningen gebouwd. Ook door verkoop van sociale huurwoningen wordt de differentiatie van wijken vergroot. Essentieel is de toegankelijkheid van alle stadsdelen voor alle inkomensgroepen. De aanwezigheid van de sociale huursector in alle stadsdelen garandeert de toegang voor de lage inkomensgroepen. In stadsdeel Oud-Zuid is de sociale huursector het kleinst van alle Amsterdamse stadsdelen, maar toch is het nog altijd 33 procent.

De buurt en het project
De afgelopen jaren zijn projecten gerealiseerd met een grote differentiatie naar woningtypen en eigendom binnen complexen en soms zelfs binnen hetzelfde gebouw. Het is echter de vraag of een complex van twintig woningen een afspiegeling moet zijn van de samenstelling van de gehele Amsterdamse voorraad. De verhouding van 30 procent sociaal versus 70 procent markt hoeft niet per se voor ieder project te gelden. Steeds vaker wordt gepleit voor homogene
buurten in heterogene wijken. Woningzoekenden wonen graag onder mensen met dezelfde leefstijl onder het motto ‘soort zoekt soort’. Het zijn juist de grote verschillen in normen en waarden van bewoners binnen complexen die tot grote problemen kunnen leiden. Ymere is in dit kader recentelijk een experiment gestart met woonruimtebemiddeling op basis van leefstijl. Huishoudens met een vergelijkbare levensstijl hebben minder last en meer lol van elkaar en zouden dus harmonieuzer kunnen samenleven. Op deze wijze kunnen in heterogene wijken op complexniveau, maar misschien ook wel op buurtniveau, homogene woonmilieus tot stand komen.

terug naar boven

Waarom gemengd bouwen?
Met gemengd bouwen wordt tegemoetgekomen aan de kwaliteitsvraag die bij een groot deel van de Amsterdammers bestaat. Niet voor niets vormt het feit dat de woning te klein is de belangrijkste verhuisreden in Amsterdam. Uit het onderzoek Wonen in Amsterdam 2003 blijkt dat het oordeel over de ontwikkeling van de buurt het sterkst samenhangt met het oordeel over de ontwikkeling van de woningkwaliteit. Woningzoekenden hebben behoefte aan ruimere
woningen, zowel binnen als buiten de sociale huursector, aan koopwoningen, aan verschillende woningtypen. Vooral in een aantal naoorlogse wijken is sprake van een eenzijdig aanbod van gestapelde woningen in de sociale huursector. In deze wijken hebben bewoners een grote verhuisgeneigdheid, mede omdat zij binnen de wijk niet vinden wat ze zoeken. De stedelijke vernieuwing in deze wijken komt tegemoet aan de vraag van de woningzoekenden in de wijken zelf. De verhuisgeneigdheid ligt in een aantal buurten niet alleen hoog vanwege het eenzijdige woningaanbod, maar ook omdat de sfeer in de buurt en de leefbaarheid negatief worden gewaardeerd. Een toenemende concentratie van kansarmen, sociale spanningen en leefbaarheidsproblemen kan het imago en de positie in de stedelijke hiërarchie verslechteren. In zoverre is een concentratie van kansarmen het gevolg en tegelijkertijd de oorzaak van een verslechtering van de woningmarktpositie. Wanneer uit een wijk de midden- en hogere inkomensgroepen wegtrekken, heeft dit niet alleen gevolgen voor de waarde van het vastgoed, maar het is ook van invloed op het voorzieningenniveau. Een woongebied kan in een vervalspiraal geraken die moeilijk is te keren. Hiermee is voor corporaties zowel de sociale taakstelling (het verzorgen van kwalitatief goed wonen en leefbare wijken) als de economische waarde van het vastgoed in het geding. Zowel op wijk- als op stadsniveau zijn er steekhoudende ruimtelijk economische argumenten voor een gedifferentieerd woningaanbod en daarmee een gemengde bevolking.

Gemengd bouwen, gemengd leven en integratie
Critici van stedelijke vernieuwing stellen dat gemengd bouwen geen goede oplossing is, omdat gemengd bouwen niet tot gemengd leven zou leiden. Differentiatie van de woningvoorraad zou nauwelijks effect hebben op de integratie tussen verschillende bewonersgroepen. Als hoge en lage inkomensgroepen in hetzelfde gebied wonen, wil dat nog niet zeggen dat ze automatisch met elkaar omgaan. Maar dat hoeft ook niet persé. Natuurlijk is het niet zo dat de leden van verschillende bevolkingsgroepen als resultaat van gemengd bouwen voortdurend gezellig bij elkaar op de koffie gaan. Mensen zoeken gelijkgestemden op, bijvoorbeeld op basis van leefstijl en opleidingsniveau. Deze contacten hoeven niet binnen de buurt plaats te vinden. De buurt is immers voor veel contacten allang niet meer het integratiekader. Maar gemengd bouwen schept wel de mogelijkheid om elkaar binnen de buurt te ontmoeten. Dagevos (WRR) en de commissie Blok concluderen dat een concentratie van etnische minderheden de kans op contact met de autochtone bevolking verkleint. Een ander punt van kritiek op gemengd bouwen is dat de individuele problemen van bewoners niet verdwijnen door de bouw van koopwoningen. Werklozen krijgen geen baan doordat er een koopwoning in de buurt wordt gebouwd. Sociaal-economische problemen zijn gerelateerd aan structurele en algemene maatschappelijke processen. Veel sociale problematiek heeft daarom zijn oorsprong buiten de buurt, bijvoorbeeld in de economische herstructurering en veranderingen in de verzorgingsstaat. Deze problemen zijn alleen oplosbaar met een gericht beleid op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt. Dat wil echter niet zeggen dat woningdifferentiatie geen zinvol instrument zou zijn. Stedelijke vernieuwing moet uiteraard gepaard gaan met beleid op andere terreinen. Een aantal zaken moet daarbij hoge prioriteit krijgen: de aanpak van vervuiling en onveiligheid, verbetering van het onderhoud van de openbare ruimte, de bestrijding van overlast en het scheppen van voorwaarden waardoor mensen prettig met elkaar samen kunnen leven. Juist in periodes van stedelijke vernieuwing staat de leefbaarheid onder druk en moet er alles aan worden gedaan om de leefbaarheid op peil te houden. Gemengd bouwen is dus zeker geen panacee. Maar stedelijke vernieuwing leidt er wel toe dat de kwaliteit van woningen en woonomgeving verbetert. Ook bewoners met sociaal-economische problemen profiteren van deze kwaliteitsverbetering.

terug naar boven

Als je niets doet stuur je ook
Critici van gemengd bouwen wijzen vaak op de geringe effecten ervan. Die kritiek is onterecht. In het naoorlogse volkshuisvestingsbeleid is gewild en ongewild invloed uitgeoefend op de bevolkingssamenstelling van wijken. Het feit dat in het verleden wijken als de Westelijke Tuinsteden en de hoogbouwflats in de Bijlmermeer voor bijna 100 procent in de sociale huursector zijn gebouwd heeft ontegenzeggelijk zijn invloed gehad op de concentratie van sociaaleconomische problematiek en leefbaarheidsproblemen in die wijken. Dat bewoners van Buitenveldert hun buurt veel meer waarderen dan inwoners van de Westelijke Tuinsteden heeft veel te maken met de gedifferentieerdere woningvoorraad naar sector, want wat betreft woningtype en woonomgeving zijn de verschillen niet zo heel groot. Hetzelfde geldt voor de stedelijke vernieuwing. Het is niet zo moeilijk voor te stellen hoe de situatie in de Bijlmermeer op dit moment zou zijn geweest als de woningvoorraad vanaf midden jaren negentig niet op ingrijpende wijze was aangepakt. De problemen op het gebied van de concentratie van kansarmoede en leefbaarheid waren in dat geval veel groter geweest.

Succesvolle voorbeelden van gemengd bouwen
Het beleid van gemengd bouwen is in Amsterdam goed op gang gekomen sinds het eind van de jaren tachtig en heeft inmiddels geresulteerd in gewilde nieuwbouwwijken als Nieuw Sloten, De Aker en Het Oostelijk Havengebied. Het aardige is juist dat in deze wijken zowel in de koopsector als in de sociale huursector een hoge kwaliteit is gerealiseerd. Bovendien is vaak gestreefd naar een menging van woningtypen en kleinere stedebouwkundige eenheden, mede in reactie op de grootschalige eenzijdige sociale huurcomplexen uit de naoorlogse periode. Maar er zijn ook genoeg voorbeelden van succesvolle stedelijke vernieuwing van bestaande wijken. Sinds de jaren tachtig is de woningkwaliteit en de woonomgeving er in veel bestaande wijken op vooruitgegaan. Critici van stedelijke vernieuwing en gemengd bouwen nodigen wij graag uit om eens een kijkje te nemen op het Mercatorplein in de Baarsjes of in de Oosterparkbuurt waar de Vrolikstraat een gedaantewisseling heeft ondergaan. Ook in de Staatsliedenbuurt is de woningvoorraad gedifferentieerd en is de woonomgeving aangepakt. Het succes van stedelijke vernieuwing is misschien nog wel het duidelijkst te zien in de Bijlmermeer. In de Bijlmermeer is 70 procent van de bevolking van de nieuwbouw afkomstig uit de bestaande hoogbouw. Hier is sprake van de opkomst van een zwarte middenklasse die nadrukkelijk kiest voor het wonen in de Bijlmermeer. Illustratief is het commentaar van Sheikh Joemmanbaks over zijn nieuwe koopwoning in de Bijlmer: “We wonen hier lekker. We hebben helemaal geen plannen om te vertrekken. Waarom zouden we? De woningen zijn goed, onze buren zijn goed, de scholen en andere voorzieningen zijn goed.” (...) We hebben onze woning, dit is ons onderpand. Straks is het afgelost. Ik ben er. Wie schopt me er dan nog uit? We zijn trots dat we hier hebben kunnen kopen.”? Deze opmerking raakt de kern van de stedelijke vernieuwing. Het gaat er om dat de wijk weer aantrekkelijk wordt, zodat mensen er weer bewust voor kiezen om er te wonen. Gemengd bouwen is daarin een essentieel instrument, maar zeker niet het enige.

Verder lezen:
Het jaarboek 2004 van de Federatie is als pdf-bestand te openen.

terug naar boven

Amsterdam is een populaire stad om in te wonen, werken en ontspannen. Hierdoor ontstaat een grote druk op de woningmarkt en is het niet eenvoudig om aan een woning te komen. Op dit deel van de site kunt u lezen welke activiteiten de Amsterdamse woningcorporaties ontplooien op het gebied van woonruimtebemiddeling, nieuwbouw en verkoop van huurwoningen en leefbaarheid in de ruimste zin van het woord.

(Uit: Jaarboek 2004, Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties)
Dit is een uitgave van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties. © 2008. Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing.
Deze site is ontwikkeld door Zukke Spijkers BV