Het Triëst-model: geestelijke gezondheidszorg met sociale inclusie

Nieuws
Leestijd: 4 minuten

Triëst geldt internationaal als voorbeeld op het gebied van geestelijke gezondheidszorg. De Italiaanse stad zette decennia geleden al een radicale stap: het sluiten van alle psychiatrische ziekenhuizen. In plaats daarvan organiseert ze de geestelijke gezondheidszorg sindsdien volledig in de gemeenschap. Mensen worden niet langer langdurig of gedwongen opgenomen, maar ontvangen ondersteuning in hun eigen leefomgeving.

Om deze unieke benadering van de geestelijke gezondheidszorg te leren kennen en van dichtbij te ervaren, organiseerde het Expertisecentrum van HVO-Querido, met steun van Erasmus+, van 17 tot en met 20 juni een werkbezoek in Triëst. André van Diest (Ymere) en Lars Hartmans (AFWC) namen vanuit de corporatiesector deel aan dit bezoek, samen met een diverse groep partners.

Mens centraal in benadering

In Triëst is een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg te vinden dat dag en nacht open is en zo’n 60.000 inwoners bedient. Dit laagdrempelige centrum is toegankelijk zonder indicatie en biedt directe hulp, dichtbij huis.

Psychiater Franco Basaglia is de grondlegger van deze revolutionaire en mensgerichte aanpak binnen de GGZ. Wat meteen opvalt, is de mensgerichte benadering. Niet de diagnose staat centraal, maar de mens en diens unieke sociale context. Participatie en autonomie zijn het uitgangspunt: cliënten worden actief betrokken bij het opstellen van hun eigen herstelplan. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar behandeling, maar ook naar zingeving, werk, huisvesting en sociale relaties. Herstel is niet slechts een medische kwestie, maar een sociaal proces.

De zorgteams zijn multidisciplinair samengesteld. Psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers en ervaringsdeskundigen werken nauw samen. Ook het netwerk rondom de cliënt – familie, buren, vrienden – wordt betrokken. Alles is gericht op het versterken van eigen regie en sociale inclusie.

Verschillen tussen Nederland en Triëst

Het systeem in Triëst wijkt op meerdere vlakken af van de Nederlandse situatie. Zo is er één regionale dienst voor geestelijke gezondheid die verantwoordelijk is voor het hele spectrum: van preventie en behandeling tot nazorg. Deze dienst ontvangt financiering van de nationale overheid én uit regionale belastingen. Daarmee worden de lokale centra gefinancierd op basis van het aantal inwoners in plaats van per verrichting of behandeling.

Een deel van de cliënten beschikt bovendien over een individueel zorgbudget, dat eveneens uit deze centrale middelen komt. De financiële middelen zijn beperkter dan in Nederland, wat juist heeft geleid tot creatieve, sociale oplossingen – onder meer via sociale coöperaties waarin werk en inkomen worden gecombineerd met herstel.

Ook is er in Triëst meer continuïteit in de zorg: cliënten blijven ook na behandeling in beeld. De drempel naar hulp is laag – iedereen kan zonder indicatie binnenlopen bij een centrum in de buurt. Dat maakt de zorg toegankelijk en zichtbaar in de wijk.

Lessen voor Nederland

De aanpak in Triëst biedt inspirerende lessen voor de Nederlandse praktijk. Door de geestelijke gezondheidszorg onder te brengen in één organisatie met een brede taakopvatting, ontstaat minder versnippering. Preventie, behandeling en nazorg zijn met elkaar verbonden, waardoor mensen niet ‘uit beeld’ raken zodra de behandeling stopt.

De beperkte financiële middelen in Italië dwingen tot het maken van duidelijke keuzes. Meer bedden betekenen meer zorgvraag – dus wordt er juist stevig ingezet op sociale ondersteuning en inclusie. Werk, inkomen en huisvesting worden gezien als essentiële onderdelen van herstel. Sociale coöperaties spelen daarin een belangrijke rol, en ook voorzieningen zoals buurtkamers zijn nadrukkelijk bedoeld voor zowel cliënten als buurtbewoners.

Uniek is dat de cliënt letterlijk de auteur is van zijn of haar eigen herstelplan. Er is ruimte voor maatwerk en het plan beweegt mee met het tempo en de wensen van de persoon zelf.

Relevantie voor woningcorporaties

Ook voor woningcorporaties zijn er waardevolle inzichten te halen uit het Triëstijnse model. Wat opvalt, is hoezeer de gedeelde filosofie – de mens boven het systeem – leeft bij álle betrokken partners. Voor woningcorporaties betekent dit dat het startpunt altijd de vraag moet zijn: wat voor woonruimte heeft deze persoon nodig om een betekenisvol leven te kunnen leiden? Niet de regels of systemen zijn leidend, maar de behoefte van de mens.

Samenwerking met de GGZ, GGD en andere zorgaanbieders is daarbij cruciaal, zowel bij het begin als het eind van een (begeleid) woontraject. Deze organisaties moeten meer betrokken worden om te adviseren over passende woonvormen en begeleiding, afgestemd op het herstelproces van de bewoner.

Tot slot: investeren in inclusie loont. Wonen is meer dan een dak boven het hoofd. Het is ook meedoen, verbinden, deel uitmaken van een gemeenschap – precies waar het in Triëst om draait.

Met dank aan: @Erasmus+ | Onderwijs & Training, en de partners: @HVO-Querido @Ymere @Gemeente Amsterdam @De Tussenvoorziening @Hogeschool Utrecht